Geluid en gebouwen met een woonfunctie

Het Rijk beschermt personen die ergens wonen tegen geluid. Om die reden wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gebouwen met een woonfunctie meestal aan als geluidgevoelige gebouwen met daarin geluidgevoelige ruimten.

Aanwijzing gebouwen in het Bkl

De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Dit ter bescherming van mensen tegen geluid. Overheden passen deze instructieregels voor geluidgevoelige gebouwen toe bij het uitvoeren van hun wettelijke taken. Voorbeelden hiervan zijn een omgevingsplan opstellen, een projectbesluit nemen of lokale wegen monitoren.

Het gaat hierbij om aanwezige, in aanbouw zijnde en geprojecteerde gebouwen (artikel 5.56 lid 3 Bkl).

Functie van gebouw is bepalend

Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.56 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen, weeshuizen en verzorgingshuizen. Ook vallen hieronder woonwagens en 'drijvende woonfuncties'. Een drijvende woonfunctie is bijvoorbeeld een woonark of woonschip. Een schip waar mensen verblijven maar dat ook in gebruik is voor de vaart, is geen drijvende woonfunctie.

De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander omgevingswetinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn de volgende gebouwen geen gebouw met woonfunctie:

  • gevangenissen (celfunctie)
  • hotels (logiesfunctie)
  • asielzoekerscentra (logiesfunctie) of
  • recreatiewoningen (logiesfunctie)

De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. Informatie over de bescherming van deze  gebouwen staat op de pagina Geluid en andere gebouwen en locaties.

Nevengebruiksfunctie

Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 5.56, eerste lid, onder a, Bkl). Voorbeelden zijn

  • een garage (overige gebruiksfunctie)
  • een kantoor aan huis (kantoorfunctie)
  • een recreatiezaal (bijeenkomstfunctie)

Er is niet altijd sprake van een nevengebruiksfunctie als er zich in een gebouw met een woonfunctie een andere gebruiksfunctie bevindt. Een voorbeeld hiervan is een appartementencomplex met daaronder een laag winkels. De winkels (als winkelfunctie) zijn dan geen nevenfunctie van de woonfunctie.

Geluidgevoelige ruimten

Een geluidgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een gebouw met een woonfunctie (artikel 5.57, eerste lid, onder a, Bkl). Gangen (met een vakterm 'verkeersruimte' genoemd), een toiletruimte, een badruimte en technische ruimten horen wel bij de woonfunctie, maar zijn geen geluidgevoelige ruimten.

Ook een recreatiezaal (als bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van de woonfunctie) van een verzorgingshuis is een geluidgevoelige ruimte (artikel 5.57, eerste lid, onder a, Bkl).

Woonwagens en 'drijvende woonfuncties' zoals woonarken en woonschepen hebben geen geluidgevoelige ruimten (artikel 5.57, tweede lid, Bkl).

Gebouw geheel of gedeeltelijk geluidgevoelig

Het hele woongebouw (de hele buitenzijde, zowel het dak als alle gevels) is in beginsel beschermd. De Omgevingswet sluit hiermee zoveel mogelijk aan bij de situatie onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, dat een gebouw in zijn geheel beschermt.

Laat het omgevingsplan voor een gedeelte van een gebouw geen geluidgevoelige ruimten toe? Dan is dat deel van het gebouw geen geluidgevoelige gebouw (artikel 5.56, tweede lid, Bkl). De instructieregels van het Bkl voor geluid gelden dan niet voor dat deel van het gebouw.

Uitzonderingen

Er zijn een aantal situaties waarbij een (gedeelte van een) gebouw met een woonfunctie geen bescherming heeft:

  • bedrijfswoning. Het omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een woongebouw met een functionele binding met die activiteit (artikel 5.61 Bkl).
  • voormalige bedrijfswoning. Het omgevingsplan kan bepalen dat waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een geluidgevoelige gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Dit kan alleen voor bedrijfswoningen in de agrarische sector en de horecasector en voor (voormalige) bedrijfswoningen bij activiteiten uitgevoerd op een bedrijventerrein (artikel 5.62 Bkl).
  • woningen op een industrieterrein (artikel 5.55, lid 2, onder a, Bkl).

Bruidsschat

Voor geluidregels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat) gelden iets andere regels voor geprojecteerde geluidgevoelige gebouwen. Ook gelden iets andere regels voor tijdelijke gebouwen (niet meer dan 10 jaar). Voor meer informatie zie Geluidgevoelige gebouwen en bruidsschat.