Lucht en instrumenten: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

Een van de instrumenten van de Omgevingswet is de omgevingsvergunning. Vergunningverleners moeten vergunningaanvragen voor milieubelastende activiteiten in het hele land beoordelen op luchtkwaliteit. Dus ook buiten de aandachtsgebieden. Daarnaast moeten initiatiefnemers en bedrijven luchtemissies voorkomen of zoveel mogelijk beperken.

Uitstootregels in Besluit kwaliteit leefomgeving

De vergunningverlener neemt luchtvoorschriften op in een omgevingsvergunning als de activiteit bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De algemene beoordelingsregels voor een milieubelastende activiteit staan in artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Zo moet de vergunningverlener beoordelen of het bedrijf of de initiatiefnemer de uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht (in vaktaal: emissies) voorkomt, of anders zoveel mogelijk beperkt.

Algemene regels in Besluit kwaliteit leefomgeving

Voor vergunningplichtige activiteiten kunnen ook algemene regels gelden uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zo kunnen bijvoorbeeld de uitstooteisen voor lucht uit de luchtmodule van het Bal gelden. De vergunningverlener kan hier van afwijken met maatwerk. Dit maatwerkvoorschrift regelt de vergunningverlener in de vergunning met een vergunningvoorschrift. Ook geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal voor vergunningplichtige activiteiten.

Beoordeling luchtkwaliteit

De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag ook op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Dit moet ook buiten de zogeheten aandachtsgebieden. Uitgezonderd hiervan zijn plaatsen waar burgers niet komen. Ook hoeft de vergunningverlener niet te toetsen als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de stikstof- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Rijksomgevingswaarden

De vergunningverlener toetst de aanvraag aan de rijksomgevingswaarden voor

  • zwaveldioxide (SO2)
  • stikstofoxiden (NOx), waaronder stikstofdioxide (NO2)
  • fijnstof (PM10 en PM2,5)
  • benzeen (C6H6)
  • lood (Pb)
  • koolmonoxide (CO)

Bij deze beoordeling tellen ook de bijdragen mee die veroorzaakt zijn door gebruik van wegen, vaarwegen en spoorwegen van en naar de activiteit.

Luchtregels in omgevingsplan of omgevingsverordening

De vergunningverlener moet ook rekening houden met mogelijke luchtregels in het omgevingsplan of de omgevingsverordening. De vergunningverlener hoeft de vergunning niet altijd te weigeren als dit in strijd is met het omgevingsplan. Wel is dan ook een vergunning voor een afwijkactiviteit nodig.

Voorbeeld: fabriek met uitbreidingsplannen

Een chemische fabriek vraagt een omgevingsvergunning aan voor uitbreiding met een grote stookinstallatie. De provincie is bevoegd gezag voor die omgevingsvergunning.

De provincie voert de integrale milieubeoordeling bij de vergunningverlening voor de milieubelastende activiteit uit. Zij concludeert dat de schoorsteen van de fabriek 10 meter hoger zou moeten zijn dan het omgevingsplan toestaat. Dat is nodig om de lokale luchtverontreiniging te verminderen. Het omgevingsplan verhindert een betere oplossing voor de leefomgeving, in dit geval de luchtkwaliteit.

Daarom moet het mogelijk zijn om van de bouwhoogte in het omgevingsplan af te wijken voor een betere lokale luchtkwaliteit. Daarvoor is een vergunning voor een afwijkactiviteit nodig. Dit is om te mogen afwijken van de maximale bouwhoogte in het omgevingsplan.