Energietransitie

Energietransitie betekent dat we onze energie toenemend halen uit hernieuwbare bronnen. En dat we het gebruik van fossiele brandstoffen verminderen om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. De instrumenten van de Omgevingswet bieden overheden handvatten om deze maatschappelijke opgave aan te pakken.

Achtergrond

Sinds het begin van de 20e eeuw is de gemiddelde temperatuur bijna 1 °C gestegen. Bij ongewijzigd beleid zal deze temperatuurstijging doorgaan. Wetenschappers zijn het erover eens dat menselijke activiteiten zeer waarschijnlijk de oorzaak zijn. Denk aan fossiele brandstoffen verbranden, ontbossing en industriële en landbouwactiviteiten. Daardoor is de concentratie aan broeikasgassen, met name koolstofdioxide (CO2), sterk gestegen.

Betekenis energietransitie

Andere veelgebruikte begrippen voor energietransitie zijn energie- of klimaatneutraal, CO2-arm, koolstofarm of duurzame energievoorziening. Energietransitie is 1 van de belangrijkste maatschappelijke opgaven van deze tijd. Energietransitie betekent dat we geen fossiele brandstoffen gebruiken waarbij broeikasgassen vrijkomen tijdens de verbranding ervan. Fossiele brandstoffen hebben nog meer nadelen: ze zijn eindig. Bovendien zijn ze steeds schaarser en daardoor kostbaar. Energietransitie betekent dus dat we onze energie toenemend halen uit hernieuwbare bronnen. En dat we ons energiegebruik zodanig organiseren dat daarbij geen of weinig uitstoot van broeikasgas plaatsvindt. Dat geldt zowel voor verwarmen, transport van mensen en goederen, als voor allerlei industriële processen en in de landbouwsector.

Voorbeelden energietransitie

De energietransitie zal een enorme impact hebben op onze fysieke leefomgeving. Energietransitie begint met terugdringing van de vraag naar energie en warmte: energiebesparende maatregelen in en rond huizen, fabrieken en kantoren. Denk verder aan de elektrificatie van het wagenpark. En de installatie, bouw en aanleg van warmtepompen, warmtenetten, windmolens, zonnepanelen, CO2-afvang- en opslagsystemen (ook wel aangeduid als CCS: carbon capture and storage), een slim elektriciteitsnetwerk ('smart grid') en biomassacentrales.

Klimaatdoelen 'Parijs'

Het mondiale doel is de uitstoot van broeikasgassen zodanig terug te dringen dat de wereldwijde temperatuurstijging ruim beneden de 2 °C blijft. Het streven is om onder de 1,5 °C te blijven. Dat is in 2015 afgesproken tijdens de VN-klimaattop in Parijs.

De afspraken zijn uitgewerkt in het Intergouvernementele Plan tegen Klimaatverandering (IPCC). Bij een temperatuurstijging van 2 graden Celsius of meer zijn de gevolgen desastreus. Denk aan een ijsvrije noordpool eens per tien in plaats van eens per honderd jaar, een ongekende zeespiegelstijging, enorme schade aan landbouw en natuur, extreem weer en het onbewoonbaar raken van grote gebieden.

Klimaatakkoord

In Nederland krijgt de energietransitie gestalte via het Nederlandse Klimaatakkoord en de afspraken die daaruit voortvloeien. In 2016 heeft staatssecretaris Dijksma het Klimaatakkoord ondertekend namens de 28 lidstaten van de EU. De ambitie voor vermindering van de Nederlandse broeikasgasuitstoot is dat die in 2050 met 80 tot 95% verminderd is ten opzichte van 1990. Procesuitstoot uit de landbouw (lastig te verminderen methaan- en lachgasemissies) en de industrie zijn daarbij niet te verwaarlozen.

In het Klimaatakkoord is bepaald dat in 2020 de regionale energiestrategieën beschikbaar moeten zijn. In 2021 kunnen de gemeenten dan hun gemeentelijke warmteplannen vaststellen. Die datum is natuurlijk niet toevallig. De gedachte is dat de regionale energiestrategieën en warmteplannen een onderdeel kunnen vormen van de omgevingsplannen.

Klimaatwet

De mogelijke Klimaatwet kan de doelstellingen voor broeikasgasuitstoot aanscherpen. Het is nog niet duidelijk of de Klimaatwet er komt. En of deze ook geïntegreerd zal worden in de Omgevingswet.

Instrumentarium Omgevingswet in relatie tot energietransitie

Met de inzet van instrumenten van de Omgevingswet kunnen overheden doelen en ambities rond energietransitie verwezenlijken.
De inzet van (nieuwe) energiesystemen, zoals zonneweides, windturbines op land, gasvrije wijken en bodemenergie hebben impact op de fysieke leefomgeving. Dat vraagt om keuzes waar we die fysieke leefomgeving willen benutten of juist beschermen.

Omgevingsvisies

In veel omgevingsvisies van provincies en gemeenten zal het thema energietransitie aan de orde komen. In de omgevingsvisie staan strategische keuzes voor de vermindering van broeikasgassen op hun grondgebied. Door als overheden gezamenlijk met elkaar te praten en kennis te bundelen ontstaat een overzicht van de risico's, kansen, belangen en afwegingen per gebied. De pagina wisselwerking tussen omgevingsvisies geeft hier meer informatie over.

Programma's

In programma's kan een omgevingsvisie een concrete uitwerking krijgen. Bijvoorbeeld voor het stoppen met aardgas ('uitfaseren' van aardgas; aardgasvrije wijken).

Omgevingsplannen

Het omgevingsplan maakt maatwerkvoorschriften mogelijk. Bijvoorbeeld via een strenge energieprestatie-eis voor nieuwe gebouwen. Het omgevingsplan kan ook meldingsplichten bevatten. Of een verbod op houtstook. Een voorbeeld van hoe een gemeente energietransitie kan uitwerken in het omgevingsplan, staat in de staalkaart energietransitie.

Integraal in plaats van sectoraal werken

Aandachtspunt bij alle maatschappelijke opgaven is de balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Overheden pakken een opgave nog te vaak sectoraal aan. Dat kan botsen met andere opgaven of belangen. Vaak zijn er ook mooie koppelkansen te maken. Zie bijvoorbeeld hoe de cultureelerfgoedsector inspeelt op de energietransitie.

Interbestuurlijk samenwerken

Om de klimaatdoelen te kunnen bereiken, zullen alle overheden met elkaar moeten samenwerken. Dit gebeurt al in het kader van de Regionale Energie strategieën (RES). Maar ook vanuit het traject van de Nationale omgevingsvisie (NOVI) zal het Rijk gebiedsperspectieven opstellen waarbij overheden interbestuurlijk afspraken maken.

Conclusies

  • De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving. De doelen van de Omgevingswet bieden voldoende grondslag om in te gaan op het thema energietransitie. Het instrumentarium van de Omgevingswet is bruikbaar om de doelen vast te leggen. En concrete maatregelen te treffen om die doelen te halen.
  • Concrete verdere uitwerking moet nog plaatsvinden. Er is politiek en maatschappelijk toenemende druk om bijvoorbeeld concrete doelstellingen voor CO2-reductie op te nemen in het systeem van de Omgevingswet. Via een Invoeringsbesluit of ander wijzigingsbesluit kan de wetgever de AMvB's dan verder aanpassen om meer ruimte te geven aan de energietransitie.