Gebiedsbescherming in de omgevingsverordening

De omgevingsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de provincie stelt binnen haar grondgebied. Zo komen er ook regels over beschermde natuurgebieden.

Instructieregels

De omgevingsverordening speelt een speciale rol. In afdeling 7.3 van het Bkl staan namelijk instructieregels voor de omgevingsverordening. Die verplichten de provincie tot:

  • het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland gebieden (artikel 7.6 Bkl )
  • het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN- gebieden (artikel 7.7 Bkl)
  • het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid)

De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid):

  • de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan
  • de samenhang tussen de gebieden van het NNN
  • tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft

De inhoud van de regels uit de omgevingsverordening moeten worden opgenomen in de omgevingsplannen, projectbesluiten (artikel 7.8, eerste lid) en omgevingsplanactiviteiten. Dit laatste wordt via het Invoeringsbesluit paragraaf 8.1.1.1 geregeld.

De regels in de omgevingsverordening kunnen ook gaan over herstel, verbetering en de uitbreiding van de NNN-gebieden. Ook gaat het over de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan (artikel 7.8 lid 2 Bkl).  Provincies kunnen dus verdergaande regels opstellen dan opgenomen in afdeling 7.3 van het Bkl.

Vergunningvrije gevallen

Provincies regelen in een omgevingsverordening of en welke vrijstellingen van de omgevingsvergunning voor een Natura-2000activiteit gelden. Het hangt af van de ruimte die er is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of en welke vrijstellingen gelden. Dit zal in het aanvullingsbesluit Natuur worden geregeld.