Oppervlaktewaterkwaliteit en omgevingsvergunning

Veel activiteiten op oppervlaktewater in beheer bij het Rijk zijn vergunningplichtig. In de waterschapsverordening kan het waterschap ook decentrale vergunningen opnemen. Wanneer er geen vergunningplicht geldt, zijn vaak algemene regels van toepassing op activiteiten op het oppervlaktewater.

Vergunningplichten

In de hoofdstukken 3, 6 en 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn verschillende vergunningplichten voor lozingsactiviteiten opgenomen die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van het oppervlaktewater. De activiteiten uit hoofdstuk 3 gelden voor alle oppervlaktewaterlichamen. Die uit hoofdstuk 6 gaan alleen over oppervlaktewater in beheer bij het Rijk. In hoofdstuk 7 gaat het om een specifiek oppervlaktewater: de Noordzee.

In de waterschapsverordening kan het waterschap ook decentrale vergunningen opnemen. Dit staat in artikel 4.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Dat kan alleen maar voor de regionale wateren.

Bevoegd gezag

In paragraaf 4.1.2 van het Omgevingsbesluit (Ob) staat voor omgevingsvergunningen voor activiteiten wie bevoegd gezag is. Voor oppervlaktewater is dit vaak het Rijk (artikel 4.4 Ob). Het waterschap is bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een regionaal oppervlaktewater of een zuiveringtechnisch werk.

Algemene regels

In veel gevallen zijn er, wanneer er geen vergunningplicht geldt, algemene regels van toepassing op activiteiten op het oppervlaktewater. Een voorbeeld is het lozen van huishoudelijk afvalwater. Hiervoor gelden, als dit plaatsvindt op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, de algemene regels uit paragraaf 6.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit in plaats van een vergunningplicht met vergunningvoorschriften.

In de waterschapsverordening kan het waterschap ook algemene regels voor dit soort activiteiten opnemen.

Meer informatie