Oppervlaktewaterkwaliteit en omgevingsverordening

Provincies kunnen in een omgevingsverordening eigen omgevingswaarden stellen voor oppervlaktewater.

Gaat het om een omgevingswaarde waarvoor ook het Rijk een omgevingswaarde heeft vastgesteld (zogeheten rijksomgevingswaarden)? Dan mogen de omgevingswaarden van de provincie alleen strenger zijn dan, of aanvullend zijn op, de rijksomgevingswaarden. Ook moeten provincies de economische effecten daarvan betrekken.

Eisen aan omgevingswaarden in een omgevingsverordening

De omgevingswaarden in een omgevingsverordening mogen alleen strenger zijn dan, of aanvullend zijn op, de rijksomgevingswaarden. De Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt namelijk normen waarvoor een minimale resultaat of inspanningsverplichting geldt. Dit staat in artikel 2.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Voorbeeld

De provincie kan bijvoorbeeld een waarde voor de aanwezigheid van plastic in water vaststellen. Of strengere waarden voor stikstof of fosfaat dan de rijksomgevingswaarden voor deze stoffen.

Ook economische effecten

Een omgevingswaarde kan invloed hebben op bijvoorbeeld het vestigingsklimaat, de werkgelegenheid en de bereikbaarheid. Daarom moeten provincies bij de vaststelling van de strengere of aanvullende omgevingswaarden ook de economische effecten daarvan betrekken. Dit staat in artikel 2.9 lid 3 van het Bkl.

Meer informatie