Oppervlaktewaterkwaliteit en omgevingswaarde

Voor oppervlaktewater zijn er rijksomgevingswaarden. Provincies kunnen in een omgevingsverordening omgevingswaarden stellen voor oppervlaktewater dat niet in beheer is bij het Rijk.

Rijksomgevingswaarden in Besluit kwaliteit leefomgeving

In paragraaf 2.2.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor de kwaliteit van oppervlaktewater voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen. Een deel van die omgevingswaarden zijn een vertaling van de Europese regels. In dit geval de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Provinciale omgevingswaarden in omgevingsverordening

Provincies kunnen in een omgevingsverordening omgevingswaarden stellen voor oppervlaktewater. Deze omgevingswaarden mogen alleen strenger zijn dan, of aanvullend zijn op, de rijksomgevingswaarden.

Goede chemische toestand

KRW-oppervlaktewaterlichamen moeten tijdig in een 'goede chemische toestand' verkeren (artikel 2.10 Bkl). Dit is het geval als voldaan is aan alle in bijlage III bij het Bkl opgenomen maximaal toegelaten concentraties voor prioritaire stoffen. Deze komen overeen met de normen uit de Richtlijn prioritaire stoffen. Elk van deze stofnormen is afzonderlijk ook een omgevingswaarde.

Wat zijn prioritaire stoffen?

Op de KWR-lijst staan de zogeheten prioritaire stoffen. Dit zijnstoffen die een groot risico vormen in (en verspreiding via) het watermilieu. De meest risicovolle stoffen op de lijst zijn aangemerkt als prioritair gevaarlijk. De Europese Commissie heeft bepaald dat de lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen, gericht op:

  • het stoppen van emissies (het vrijkomen) van de prioritair gevaarlijke stoffen
  • het verminderen van emissies (het vrijkomen) van de prioritaire stoffen

Stoffen komen op de Europese lijst als ze in meerdere lidstaten een probleem zijn.

Enkele voorbeelden van prioritaire stoffen zijn benzeen, endosulfan, nikkel en dichloorvos.

Goede ecologische toestand

Ook moeten KRW-oppervlaktewaterlichamen tijdig in een 'goede ecologische toestand' verkeren (artikel 2.11 Bkl). Dit is het geval als de diverse kwaliteitselementen (aanwezige flora, fauna, et cetera) slechts een lichte verandering vertonen ten opzichte van de onverstoorde staat van het betreffende type waterlichaam (Bijlage V KRW). Bij sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen is het niet mogelijk om terug te keren naar een lichte afwijking van de onverstoorde staat. Daarom moeten landen voor die waterlichamen doelen vaststellen die nog wél haalbaar zijn. Daarbij moeten ze rekening houden met de onomkeerbare ingrepen die in deze waterlichamen zijn gedaan. Dit doel wordt een 'goed ecologisch potentieel' genoemd. Ook hiervoor dienen omgevingswaarden te worden opgesteld. Dat is geregeld in artikel 2.12 Bkl.

Wanneer uit andere regelgeving dan de Omgevingswet nog eisen gelden voor de waterkwaliteit in een waterlichaam, geldt altijd de strengste eis (artikel 2.16 Bkl).

Achteruitgangsverbod

De KRW verbiedt de achteruitgang van de toestand waarin waterlichamen verkeren. Het achteruitgangsverbod is een 'andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving'. In artikel 4.15 van het Bkl is opgenomen dat dit via een instructieregel moet doorwerken in een waterbeheerprogramma of een regionaal of nationaal waterprogramma.

Artikelen 2.17 en 2.18 van het Bkl bevatten de uitzonderingen om pas later of slechts in mindere mate te voldoen aan de omgevingswaarden.

Monitoring omgevingswaarde waterkwaliteit

In Nederland zijn meetpunten aangewezen waar het oppervlaktewater gecontroleerd wordt op een goede chemische en ecologische toestand. Over de meetresultaten wordt gerapporteerd. Uit de meetresultaten blijkt ook of de overheid de omgevingswaarden haalt, of dat aanvullende maatregelen in waterprogramma’s nodig zijn.

Meer informatie