Grondwater en omgevingswaarde

Voor grondwater zijn er rijksomgevingswaarden. Daarnaast kunnen er decentrale omgevingswaarden staan in een provinciale omgevingsverordening.

Rijksomgevingswaarden

Voor grondwater zijn er rijksomgevingswaarden voor de goede chemische en goede kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam. Dat staat in de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze rijksomgevingswaarden gelden voor grondwaterlichamen die zijn aangewezen in een regionaal waterprogramma (Bkl, artikel 4.4).

Daarnaast kunnen er decentrale omgevingswaarden staan in een provinciale omgevingsverordening.

Goede kwantitatieve toestand grondwaterlichaam

Grondwaterlichamen moeten in een goede kwantitatieve toestand verkeren (Bkl, artikel 2.13). Dit is het geval als:

  • de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn de beschikbare grondwatervoorraad niet overschrijdt
  • voldaan is aan de voorwaarden onder punt 2.1.2 van bijlage V van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze eisen moet u zien als omgevingswaarde.

Goede chemische toestand grondwaterlichaam

Grondwaterlichamen moeten in een goede chemische toestand zijn (Bkl, artikel 2.14). Dit is het geval als voldaan is aan:

  • de voorwaarden onder punt 2.3.2 van bijlage V van de KRW
  • de eisen zoals opgenomen in bijlage IV van het Bkl

Wanneer het grondwaterlichaam op 1 of meer monitoringspunten niet voldoet, moet de provincie passend onderzoek doen. Hierbij toont de provincie, in overeenstemming met bijlage III van de Grondwaterrichtlijn (GWR), aan dat voldaan is aan voorwaarden uit artikel 4 lid 2c en artikel 4 lid 5 van de GWR. Deze eisen zijn omgevingswaarden (Bkl, artikel 2.14).

Bijlage IV van het Bkl bevat de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen.

  • Onderdeel A bevat een tweetal omgevingswaarden: nitraten en bestrijdingsmiddelen. Dit is een implementatie van de eisen uit bijlage I van de GWR.
  • Onderdeel B bevat omgevingswaarden voor de stoffen chloor, nikkel, arseen, cadmium, lood en fosfaat. Dit is een implementatie van artikel 3 lid 1b en lid 6 van de GWR. Hierbij is rekening gehouden met bijlage VIII van de KRW.

Strengste eis geldt

Gelden er nog andere eisen voor de waterkwaliteit in een waterlichaam? Dan geldt altijd de strengste eis (Bkl, artikel 2.16).

Achteruitgangsverbod

De KRW verbiedt de achteruitgang van de toestand waarin waterlichamen verkeren. Het achteruitgangsverbod is een 'andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving'. In artikel 4.15 van het Bkl is opgenomen dat dit via een instructieregel moet doorwerken in een waterbeheerprogramma of een regionaal of nationaal waterprogramma.

Artikelen 2.17 en 2.18 van het Bkl bevatten de uitzonderingen om pas later of slechts in mindere mate te voldoen aan de omgevingswaarden.

Omgevingswaarden in omgevingsverordening

Provincies kunnen in een omgevingsverordening omgevingswaarden stellen voor de waterkwaliteit van grondwater. Deze omgevingswaarden mogen alleen strenger zijn dan, of aanvullend zijn op, de rijksomgevingswaarden (Bkl, artikel 2.9). Bij de vaststelling daarvan betrekt de provincie de economische effecten. Denk hierbij aan effecten op het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid.