Grondwater en omgevingsverordening

De omgevingsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de provincie stelt binnen haar grondgebied. Grondwater maakt daar deel van uit.

Beschermen kwaliteit grondwater

De provincie moet in de omgevingsverordening regels opnemen voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater voor de winning van de in de verordening aangewezen gebieden. Dit staat in(artikel 7.10 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gebieden heten vaak grondwaterbeschermingsgebieden en/of boringsvrije zones.

Het doel is onder meer:

  • het beheer van natuurlijke hulpbronnen
  • het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening
  • het beschermen van de kwaliteit van regionale wateren waaruit water voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water wordt gewonnen

Uitvoering Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn

De provincie kan in de omgevingsverordening aanvullende of strengere omgevingswaarden stellen dan de rijksomgevingswaarde. Bij de vaststelling daarvan betrekt de provincie de economische effecten. Denk hierbij aan effecten op het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid. Dit staat in artikel 2.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De provincie kan in de omgevingsverordening ook een verbod opnemen om een activiteit te verrichten zonder vergunning. Dit kan bijvoorbeeld een manier zijn om uitvoering te geven aan het vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) vereiste verbod op de rechtstreekse lozing van verontreinigende stoffen in het grondwater (artikel 11 KRW onder j).

De provincie kan in de omgevingsverordening algemene regels stellen aan activiteiten die de grondwaterkwaliteit beïnvloeden. Dit zijn dan activiteiten die de doelen voor grondwater van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR) kunnen bedreigen. Of die eigen (andere maatschappelijke) ambities in de weg staan. Het regionaal waterprogramma is hierin leidend, aangezien het regionale waterprogramma uitvoering geeft aan de EU-richtlijnen.

Voorbeeld

De provincie kan in het regionaal waterprogramma een maatregel opnemen die stelt: 'In de omgevingsverordening zullen er regels gesteld worden aan …'.

Instructieregels

Om haar taken voor grondwaterbeheer uit te voeren, kan de provincie in de omgevingsverordening instructieregels stellen voor de gemeente. Dit kan gaan over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.23 lid 3c Omgevingswet) in het omgevingsplan. De provincie moet dit onderbouwen. Bijvoorbeeld als voor een specifiek innamepunt voor drinkwatervoorziening bepaalde beschermende regels in het omgevingsplan nodig zijn. Ook kunnen de instructieregels over een omgevingsplan zich richten op verontreinigingen in de bodem als deze zich (in potentie) kunnen verspreiden naar het grondwater.

Bronaanpak

De provincie verlangt in bepaalde gebieden dat een vervuiler bij een ontwikkeling zo veel mogelijk verontreiniging verwijdert. Dat moet gebeuren op plaatsen waar een bodemverontreiniging leidt tot een inbreng naar het grondwater waarvoor maatregelen vereist zijn op grond van de Grondwaterrichtlijn (GWR). Dit noemen we de zogeheten 'bronaanpak'.

Instructieregels kunnen zich ook richten op de waterschapsverordening van het waterschap. Dit kan nodig zijn voor wateractiviteiten in gebieden waar bekend is dat hier grondwaterverontreinigingen zijn. Op die manier werken dergelijke regels door op bijvoorbeeld grondwateronttrekkingen van bedrijven die niet vergunningplichtig zijn.