Zwemwater en omgevingswaarde

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat een rijksomgevingswaarde voor zwemwater. De provincie kan in de omgevingsverordening strengere of aanvullende omgevingswaarden stellen voor de zwemwaterkwaliteit.

Rijksomgevingswaarden in Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat een rijksomgevingswaarde voor zwemwater. Zwemlocaties moeten minimaal voldoen aan de klasse ‘aanvaardbaar’ (artikel 2.21 Bkl). Alleen onder bepaalde voorwaarden mag een locatie tijdelijk worden ingedeeld in de klasse ‘slecht’. Deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting en geldt alleen tijdens het badseizoen voor aangewezen zwemlocaties. Daarnaast heeft de provincie een inspanningsverplichting om het aantal als ‘uitstekend’ of ‘goed’ ingedeelde zwemlocaties te laten toenemen (artikel 3.6 lid 4 Bkl).

Indeling kwaliteitsklassen zwemwater

De Zwemwaterrichtlijn gaat uit van 4 kwaliteitsklassen zwemwater:

  • ‘uitstekend’
  • ‘goed’
  • ‘aanvaardbaar’
  • ‘slecht’

Alle zwemlocaties moeten zijn ingedeeld in deze kwaliteitsklassen. Bijlage II van de Zwemwaterrichtlijn geeft aan hoe deze beoordeling plaatsvindt. Dit is afhankelijk van de percentielwaarden van microbiologische tellingen van bepaalde bacteriën.

Het gaat om de bacteriën ‘intestinale enterokokken’ en ‘Escherichia coli’. Beide bacteriesoorten komen voor in de ontlasting van mensen en dieren. Daarom staan ze ook wel bekend als ‘poepbacteriën’. Ze zijn een goede aanwijzing voor de zwemwaterkwaliteit. Onder bepaalde omstandigheden mogen zich bij de klassen ‘aanvaardbaar’, ‘goed’ en ‘uitstekend’ kortstondige verontreinigingen voordoen zonder dat de klasse-indeling wijzigt.

Tijdelijk in klasse ‘slecht’ onder voorwaarden mogelijk

Een zwemlocatie mag tijdelijk in de kwaliteitsklasse ‘slecht’ zitten (artikel 2.22 Bkl). Wel gelden dan de volgende voorwaarden:

  • De provincie neemt aan het begin van het badseizoen passende zwemwaterbeheersmaatregelen. Daarbij hoort dat de provincie een negatief zwemadvies geeft of een zwemverbod instelt. Dit doet de provincie om de blootstelling van zwemmers aan zwemwaterverontreiniging te voorkomen.
  • De beheerder van het oppervlaktewater identificeert aan het begin van het badseizoen de oorzaken van zwemwaterverontreiniging waardoor de klasse ‘aanvaardbaar’ niet is bereikt. Ook neemt de beheerder passende maatregelen om die oorzaken te voorkomen, te beperken of weg te nemen.
  • De provincie licht aan het begin van het badseizoen het publiek in.

Omgevingswaarden in omgevingsverordening

Provincies kunnen in een omgevingsverordening omgevingswaarden stellen voor de kwaliteit van een zwemlocatie. Deze omgevingswaarden mogen alleen strenger zijn dan, of aanvullend zijn op, de rijksomgevingswaarden (artikel 2.19 Bkl). Bij de vaststelling daarvan betrekt de provincie de economische effecten. Denk hierbij aan effecten op het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid.