Welke omgevingswaarden kan een provincie of gemeente stellen?

Provincies en gemeenten kunnen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit. Ook kunnen ze omgevingswaarden stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt.

Afwijken of aanvullen rijksomgevingswaarden

Provincies en gemeenten kunnen afwijkende of aanvullende omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit.

Wat is het verschil tussen deze twee? Een afwijkende omgevingswaarde heeft een ander niveau dan het Rijk stelt aan die omgevingswaarde. Bijvoorbeeld als een provincie of gemeente een strengere norm voor fijnstof wil hanteren. Een aanvullende omgevingswaarde is een parameter waar het Rijk geen eisen aan stelt voor een onderwerp dat het Rijk wel reguleert. Een voorbeeld is een norm voor roet.

De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit, zwemwater en waterkwaliteit komen voort uit Europese richtlijnen. Deze Europese normen hebben een minimale resultaat- of inspanningsverplichting. Een afwijkende omgevingswaarde mag daarom alleen strenger zijn. Provincies en gemeenten krijgen daarmee extra ruimte om vorm te geven aan lokale of regionale kwaliteitsambities. Het gaat om:

  • Waterkwaliteit: provincies mogen aanvullende of strengere omgevingswaarden stellen voor parameters in grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen die niet bij het Rijk in beheer zijn.
  • Zwemwater: provincies mogen aanvullende of strengere omgevingswaarden stellen voor zwemlocaties in waterlichamen die niet bij het Rijk in beheer zijn.
  • Luchtkwaliteit: provincies en gemeenten mogen aanvullende en strengere omgevingswaarden stellen voor luchtkwaliteit. Bij een aanvullende of afwijkende omgevingswaarde moet de gemeente of provincie ook de economische effecten betrekken (artikel 2.1 lid 3, 2.9 lid 3 en 2.21 lid 3 Bkl). Het gaat dan om effecten op vestigingsklimaat, werkgelegenheid en bereikbaarheid.

    Omgevingswaarden voor andere onderwerpen

  • Een provincie of gemeente kan zelf besluiten om een omgevingswaarde te stellen voor onderwerpen waarover het Rijk geen omgevingswaarden stelt. Zo stelt het Bkl geen omgevingswaarde voor geur- of lichthinder. Een provincie of gemeente kan hier wel voor kiezen. Hierbij weegt de overheid de samenhang van het beschermen en benutten van de leefomgeving af (artikel 2.1 lid 1 Ow).

Botsende belangen

Een omgevingswaarde heeft direct invloed op de leefomgeving. Bijvoorbeeld op wat er gebouwd mag worden. Daarom kan een omgevingswaarde botsen met andere belangen. De overheid moet altijd rekening houden met de samenhang tussen al die verschillende aspecten en belangen. Dit volgt uit artikel 2.1 lid 2 van de Omgevingswet. Een overheid mag geen strengere omgevingswaarde vaststellen als dat tot onevenredige nadelen voor andere aspecten van de leefomgeving leidt.

Gemeenten mogen geen decentrale omgevingswaarden stellen die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van een rijksweg of hoofdspoorweg rechtstreeks belemmeren (artikel 5.163 Bkl).

Provincies mogen geen decentrale omgevingswaarden stellen die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van de hoofdspoorweginfrastructuur of weg in beheer bij het Rijk belemmeren (artikel 7.9 Bkl).