Mogelijke en verplichte onderdelen omgevingsverordening

Er zijn onderwerpen die de provincie moet regelen in de omgevingsverordening. En er zijn in de wet een aantal onderwerpen genoemd die de provincie kan regelen.

De Omgevingswet gaat uit van het beginsel decentraal tenzij. Dit betekent dat de gemeente of het waterschap als eerste aan zet is. De provincie mag alleen de onderwerpen regelen die van provinciaal belang zijn. Voor een aantal van deze onderwerpen heeft het Rijk instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).  Daarin staat wat er in de omgevingsverordening moet, kan en mag.

Wat moet in de omgevingsverordening

In hoofdstuk 7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over de onderwerpen die in de omgevingsverordening moeten worden opgenomen. Het gaat dan om:

  • bescherming van werelderfgoed en cultureel erfgoed
  • bescherming van het natuurnetwerk Nederland, inclusief Natura 2000
  • stiltegebieden­
  • grondwaterbeschermingsgebieden
  • beperkingengebieden lokaal spoor

Instructieregels via invoeringsspoor of aanvullingsspoor

In de Omgevingswet (hoofdstuk 2) komen ook nog een aantal onderwerpen waarvoor in het invoeringsspoor of het aanvullingsspoor regels in het Bkl worden opgenomen. Het gaat onder andere om:

  • omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale water­keringen en de gemiddelde kans op overstroming van bij verordening aangewezen gebieden
  • aanwijzing provinciale wegen en lokale spoorwegen, in verband met geluidproductieplafonds (GPP)

Wat kan in de omgevingsverordening

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Bkl wordt een aantal onderwerpen uitdrukkelijk genoemd die de provincie bij omgevingsverordening kan regelen. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende onderwerpen:

  • het aanpassen van de aanwijzing van omgevingsvergunningplichtige gevallen (artikel 2.16, 16.5 en 16.9 Bal)
  • aanvullende vergunningplichten over milieubelastende activiteiten (artikel 2.15 Bal)
  • het opnemen van maatwerkregels waar dat op grond van het Bal is toegestaan
  • regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
  • het opnemen van regels over ammoniak bij verzuringsgevoelige gebieden
  • het opnemen van strengere of aanvullende omgevingswaarden met betrekking tot luchtkwaliteit of waterkwaliteit dan in het Bkl
  • het opnemen van instructieregels aan gemeenten of waterschappen over het voldoen aan die omgevingswaarden

Wat mag in de omgevingsverordening

Er zijn onderwerpen waarover de provincie regels wil stellen vanuit provinciaal belang. Het is aan de provincie om te motiveren waarom het doeltreffender is om deze zaken op provinciaal niveau te regelen of waar het provinciaal belang zich op richt.

Daarnaast kan de provincie regels stellen omdat het niet doelmatig en doeltreffend is om een belang op gemeentelijk (of waterschaps)niveau te behartigen. Het provinciebestuur moet motiveren waarom zij het onderwerp regelen en niet overlaten aan de gemeenten. De onderwerpen moeten wel over de fysieke leefomgeving gaan.

Het gaat bijvoorbeeld om regels over:

  • zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit
  • agrarische ontwikkelingen
  • stedelijke ontwikkelingen
  • leegstand
  • beperkingengebieden bij provinciale wegen
  • het (verbod op) ontgassen van binnenvaartschepen
  • gaswinning
  • windenergie

Wat mag niet in de omgevingsverordening

In het tweede lid van artikel 2.3 van het Omgevingsbesluit staat dat er in de omgevingsverordening geen regels worden opgenomen over het vaststellen van provinciale belastingen en het strafbaar stellen van overtredingen van provinciale verordeningen.

Regels voor verschillende doelgroepen

De omgevingsverordening bevat regels die zich richten tot drie doelgroepen:

  • burgers en bedrijven:
    • algemene regels (artikel 4.1 en 4.2 Omgevingswet),
    • meldingsplichten en vergunningen (artikel 5.4 juncto 5.19 Omgevingswet)
  • gemeenten en waterschappen:
    • instructieregels over de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (artikel 2.16 en 2.17 Omgevingswet) en
    • beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen (artikel 5.19 Omgevingswet)
  • Gedeputeerde Staten:
    • regels over omgevingswaarden
    • beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen
    • het toepassen van flexibiliteit of
    • instructieregels over het opstellen van programma’s en projectbesluiten