Wat moet de provincie verplicht in de omgevingsverordening regelen?

De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geven de onderwerpen aan die de provincie in de omgevingsverordening moet opnemen.

Verplichte omgevingswaarden (artikel 2.13 Ow)

De provincie moet omgevingswaarden vaststellen voor:

  • de veiligheid van regionale waterkeringen en
  • de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden

Bij het vaststellen van de omgevingswaarde hoort de verplichting  om de methode van monitoring van de omgevingswaarde aan te geven. Dit staat in artikel 20.2 Ow.

Regels over onderwerpen waarvoor het rijk instructieregels heeft gesteld

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende onderwerpen die de provincie moet regelen in haar omgevingsverordening:

  • behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed (afdeling 7.2 Bkl)
  • natuurbescherming (afdeling 7.3 Bkl)
  • beperkingengebieden lokaal spoor buiten vervoerregio’s (artikel 7.9 Bkl)
  • stiltegebieden (artikel 7.10 Bkl)
  • grondwaterbeschermingsgebieden (artikel 7.10 Bkl)

Aanwijzen methode en bestuursorgaan monitoring (artikel 20.2 Ow)

In de omgevingsverordening wijst de provincie de methode aan voor de uitvoering van de monitoring van:

  • een omgevingswaarde
  • een programmatische aanpak
  • een parameter voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving
  • een parameter voor de belasting door activiteiten in de fysieke leefomgeving
  • een parameter voor de concentratie van stoffen in de fysieke leefomgeving
  • een parameter voor de depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving

De provincie wijst hierbij ook het bestuursorgaan aan dat de monitoring moet uitvoeren.

Dit is alleen noodzakelijk als in de omgevingsverordening een omgevingswaarde, programmatische aanpak of parameter is vastgesteld.