Waarmee moet de provincie bij de voorbereiding en in de procedure van het programma rekening houden?

Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie stelt het programma vast.

Afstemming

Een bestuursorgaan moet rekening houden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen (artikel 2.2 Ow). Dit betekent dat de provincie bij het opstellen van het programma rekening moet houden met het beleid van andere bestuursorganen.

Participatie

De Omgevingswet streeft naar vroegtijdige participatie van de omgeving bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Met participatie bedoelt de wetgever deelname van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties aan het beleid- en besluitvormingsproces.

Heeft een provincie een programma gemaakt? Dan moet daarin staan hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken heeft. En ook wat de resultaten daarvan zijn. Deze motiveringsplicht is geregeld in artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit. Hoe een provincie hier invulling aan geeft, mag ze zelf weten. Welke mensen de provincie betrekt, hangt af van het type programma: de aard, de omvang en invloed op de fysieke leefomgeving.

Lees meer over de wettelijke verplichtingen voor participatie bij een programma. In de Inspiratiegids participatie Omgevingswet vindt u voorbeelden van mogelijke vormen van participatie en praktijkverhalen.

Voorbereidingsprocedure

Voor de voorbereiding van een programma geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (artikel 16.27 Ow).

De provincie kan ook afzonderlijke documenten vaststellen die bij het programma horen. Dan is afdeling 3.4 Awb ook op de vaststelling van die documenten van toepassing. Het gaat hier om voorbereidende documenten die gelden om een aantal Europese richtlijnen uit te voeren. Een voorbeeld is de richtlijn overstromingsrisico’s (artikel 16.28 Ow).

Iedereen kan zienswijzen naar voren brengen tegen het ontwerp van het programma (artikel 16.23 Ow i.c.m. artikel 16.22 Ow).

Tegen een programma staat in beginsel geen beroep open. Dit is omdat het programma alleen de provincie zelf bindt. Het heeft geen rechtsgevolgen voor anderen. Maar als een (deel van het) programma wel specifieke rechtsgevolgen heeft, dan kan daar beroep tegen worden gemaakt. Dit geldt voor programma’s die een rechtstreekse grondslag geven voor activiteiten. Er volgt dan namelijk geen afzonderlijk toestemmingsbesluit meer. In een beheerplan voor een Natura 2000-gebied kunnen bijvoorbeeld vrijstellingen worden verleend.

Voor samenwerking met andere autoriteiten bij de totstandkoming van waterprogramma’s gelden procedurebepalingen. Deze zijn opgenomen in paragraaf 8.4.3 van het Omgevingsbesluit. De herzieningscyclus  is ook geregeld in het Omgevingsbesluit. Dit geldt voor zowel de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, het nationaal waterprogramma als voor het maritiem ruimtelijk plan. Tussentijdse herziening van deze programma’s is mogelijk.

Milieueffectrapportage

Een programma kan een kader vormen voor projecten die zijn aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Als dit zo is, gelden in de voorbereidingsprocedure de aanvullende regels voor milieueffectrapportage voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1 Ow).