Voor welke onderwerpen moet de provincie een programma opstellen?

De provincie moet de volgende programma's opstellen:

Actieplan geluid

Het actieplan geluid geeft invulling aan de richtlijn omgevingslawaai. De provincie moet een actieplan vaststellen voor de volgende geluidsbronnen:

  • regionale wegen in beheer bij de provincie, waarop jaarlijks meer dan 3 miljoen voertuigen passeren (artikel 3.8, lid 1, onder a, Ow)
  • spoorwegen, waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren. Uitzondering zijn hoofdspoorwegen en spoorwegen die binnen agglomeraties liggen (artikel 3.8, lid 1, onder b, Ow)
  • burgerluchthavens van regionale betekenis, waarop jaarlijks meer dan 50.000 vliegbewegingen plaatsvinden (artikel 3.8, lid 1, onder c, Ow).

Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in elk actieplan geluid een plandrempel staan. Dit is een vastgestelde grenswaarde van de geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight op geluidgevoelige gebouwen en locaties. Het bestuursorgaan stelt deze vast. De grenswaarde is niet voor elke categorie hetzelfde. Er kunnen voor verschillende bronsoorten of verschillende gebieden andere grenswaarden zijn.

Het Bkl bepaalt verder aan welke nadere eisen een provinciaal actieplan minstens moet voldoen. Het actieplan bestaat uit een beleidsmatig deel en een concreet deel.

Het beleidsmatige beschrijft het beleid om de geluidbelasting Lden en de geluidbelasting Lnight te beperken. Hierbij betrekt de provincie in ieder geval:

  • de bescherming van stille gebieden die de provincie in de omgevingsverordening heeft aangewezen;
  • de bescherming van gebieden waarin de leefomgeving bijzondere bescherming nodig heeft. Dit geldt in ieder geval voor gebieden die de gemeente in het omgevingsplan heeft aangewezen en die binnen een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie liggen.

Het concrete deel van het actieplan omvat:

  • de maatregelen die voor de komende vijf jaar zijn voorgenomen om overschrijding van de plandrempel te voorkomen. Of, als de overschrijding al heeft plaatsgevonden, om deze ongedaan te maken. Dit wordt uitgedrukt in een geluidbelasting Lden en geluidbelasting Lnight,
  • de te verwachten gevolgen van die maatregelen

Dit meisje houdt haar hand tegen haar oor vanwege het omgevingsgeluid

Regionaal waterprogramma

Het regionaal waterprogramma geeft invulling aan de Europese richtlijnen over water. Artikel 4.4 van het Bkl beschrijft concreet wat in het regionaal waterprogramma moet staan. Zo moet het regionale waterprogramma in ieder geval de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking toekennen aan regionale wateren. De toevoeging 'in ieder geval' maakt duidelijk dat er ook andere maatschappelijke functies kunnen worden vastgelegd. Bijvoorbeeld dat een watergebied wordt vastgelegd als zwemwater, voor scheepvaart of voor recreatie.

Het is niet wettelijk vereist om deze maatschappelijke functies vast te leggen. Toch is het wel van belang. Het bevoegd gezag gebruikt dit namelijk om te kunnen beslissen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Daarbij worden maatschappelijke functies in het regionale én in het nationale waterprogramma bekeken (artikel 8.84 Bkl).

Het regionale waterprogramma wijst ook regionale oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties aan. In het regionaal waterprogramma staat ook een aantal maatregelen die volgens de Europese richtlijnen verplicht zijn. Dit zijn maatregelen om de waterkwaliteit te verbeteren of te behouden. Ten slotte houdt in bepaalde gevallen het programma een beschrijving voor de monitoring in.

Soms blijkt bij het opstellen van het regionale waterprogramma dat het niet mogelijk is een omgevingswaarde of andere doelstelling te halen. In dat geval kan de provincie gemotiveerd gebruikmaken van de uitzonderingsmogelijkheden die de Europese richtlijnen hiervoor bieden.

Beheerplan Natura 2000-gebied

De provincie waarin een Natura 2000-gebied geheel of grotendeels ligt, maakt een beheerplan voor dat gebied. In het beheerplan staan instandhoudingsmaatregelen voor natuurwaarden beschreven. Ook staan er passende maatregelen in om instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Vervolgens worden ook de beoogde resultaten omschreven: hoe helpen de maatregelen om de natuurwaarden te beschermen, te herstellen of te ontwikkelen? Het beheerplan onderscheidt de maatregelen naar de verschillende habitats en soorten (artikel 4.26 Bkl).

Het bevoegd gezag kan het beheerplan gebruiken om beleid vast te stellen. Dit beleid kan gehanteerd worden bij vergunningen en besluiten op grond van de Wet natuurbescherming. Het beheerplan krijgt dan voor dit onderdeel het karakter van een beleidsregel.

natura2000-logo

Het beheerplan geeft ook duidelijkheid over de ruimte die er is voor bepaalde activiteiten en economische ontwikkelingen. Daarom heeft het beheerplan ook het karakter van een vrijstelling. Activiteiten die volgens het beheerplan overeenstemmen met de instandhoudingsdoelstellingen, vallen niet langer onder de vergunningplicht. Het is mogelijk om in beroep te gaan tegen het deel van het beheerplan dat vrijstelling geeft.

De provincie kan beheerplannen Natura 2000 integreren in een ander programma voor hetzelfde gebied. Ook heeft de wetgever de doorwerking van beheerplannen geregeld. Overheden moeten op tijd de maatregelen nemen waar zij mee hebben ingestemd. Dit werkt hetzelfde als bij de programmatische aanpak.

Programma bij dreigende overschrijding omgevingswaarde

Het programma bij (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde is een bijzondere vorm van een verplicht programma. Deze verplichting kan alleen ontstaan als een omgevingswaarde is vastgesteld. Soms kan uit de monitoring van zo'n omgevingswaarde blijken dat deze niet wordt gehaald. Of dreigt niet te worden gehaald. Het bevoegd gezag kan dan via een programma bijsturen. Dit programma bevat maatregelen die nodig zijn om de omgevingswaarde alsnog te kunnen halen. De programmaplicht geldt al bij een dreigende overschrijding. Dit is om zoveel mogelijk te voorkomen dat er een daadwerkelijke overschrijding ontstaat.

Volgens het Bkl (artikel 4.1, onder a) moet de provincie een programma maken bij een dreigende overschrijding van de omgevingswaarde voor zwaveldioxide en stikstofoxiden. Deze omgevingswaarden gelden voor locaties met een oppervlakte van ten minste 1.000 km2 die liggen op een afstand van ten minste 20 kilometer van een bij ministeriële regeling aangewezen agglomeratie of op een afstand van ten minste 5 kilometer van:

  • andere locaties met bebouwing
  • een ippc-installatie of andere milieubelastende activiteiten
  • autosnelwegen of autowegen waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruikmaken

(artikel 2.43, lid 3, Bkl).

De provincie kan ook zelf omgevingswaarden vaststellen in de omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie bepalen dat Gedeputeerde Staten bij dreigende overschrijding het programma vaststellen.