Wanneer is een wateronttrekkingsactiviteit vergunningplichtig?

Wateronttrekkingsactiviteiten zijn er op het land en in het water. De locatie bepaalt welke regels er van toepassing zijn en welke vergunningplichten er zijn.

Onttrekken van grondwater

Een vergunning voor wateronttrekkingsactiviteiten van grondwater is nodig voor:

  • Het onttrekken van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening en de daarmee samenhangende infiltraties (artikel 14.4 Bal). Voor deze vergunning is de provincie bevoegd gezag (zie artikel 3.3 omgevingsbesluit).
  • Het onttrekken van grondwater met een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk (artikel 6.36 Bal). Hier is de minister van Infrastructuur en Waterstaat bevoegd gezag. Behalve als de onttrekking:
    • een bronbemaling of proefbemaling is en het debiet van de onttrekking minder is dan 100 m3/u en de totale hoeveelheid maximaal 100.000 m3 is
    • bedoeld is voor beregening, bevloeiing of veedrenking en het debiet van de onttrekking minder is dan 60 m3/u
    • een debiet heeft van minder dan 10 m3/u en het om een ander geval gaat dan genoemd onder a) en b)
  • Het onttrekken van grondwater voor grootschalige industriële toepassingen (meer dan 150.000 m3/jaar water) en de daarmee samenhangende infiltraties (artikel 14.4 Bal). De provincie is bevoegd gezag. In de omgevingsverordening kan voor deze industriële toepassingen, in overleg met het waterschap, de grens van 150.000 m3 per jaar worden veranderd (artikel 14.5 Bal). Dit werkt door in de aanwijzing van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. Want bij kleinere onttrekkingen is het waterschap namelijk bevoegd als in de waterschapsverordening een vergunningplicht is opgenomen.

Onttrekken van oppervlaktewater

Voor een aantal wateronttrekkingsactiviteiten voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk is een vergunning nodig. Namelijk als:

  • Het innamedebiet meer dan 1.800 m3/u is, de instroomsnelheid meer is dan 0,15 m/s, en het gaat om een ‘zout’ water. Welke wateren dit zijn staat in artikel 6.35 eerste lid, onder a van het Bal
  • Het debiet van de onttrekking meer is dan 100 m3/u en het gaat om een ‘zoet’ water. Welke wateren dit zijn staat in artikel 6.35 eerste lid, onder b van het Bal
  • De instroomsnelheid meer is dan 0,30 m/s, Dit geldt voor ‘zoete’ en ‘zoute’ wateren.
  • De onttrekking samenhangt met een vergunningplichtige lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam.
  • Deze vergunningplicht geldt niet bij het onttrekken van water aan de Noordzee. Deze vergunningplicht geldt ook niet voor het onttrekken van water tijdens baggerwerkzaamheden (artikel 6.35, tweede lid, van het Bal).

Beoordelingsregels vergunning

De beoordelingsregels voor een wateronttrekkingsactiviteit staan in artikel 8.85 en 8.90 van het Bkl. Dit geldt voor een wateronttrekkingsactiviteit die op rijksniveau vergunningplichtig. De vergunning wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met:

  • Het belang van het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste.
  • Het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
  • Het belang van de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Waarbij rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, voor dat watersysteem of een onderdeel daarvan.
  • De dragende functie van het watersysteem of de kwantitatieve toestand van het grondwater.

Voorbeeld belang van waterprogramma.

Bij een vergunningverlening kan de beïnvloeding van een verontreinigingspluim eenvoudig meewegen als dit volgt uit het waterprogramma of als er in het programma maatregelen staan gericht op het beheer van verontreinigingspluimen.

Soms gaat een wateronttrekkingsactiviteit ook over het infiltreren van water in de bodem en is dat water afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam.

Voorbeelden infiltratie in combinatie met wateronttrekkingen.

Bijvoorbeeld komt het steeds vaker voor dat water in de bodem gebracht wordt om de zoetwatervoorraad aan te vullen voor het geval dit later nodig blijkt te zijn. Dit in het kader van klimaatadaptatie. Ook wordt oppervlaktewater in de bodem gebracht voor de drinkwatervoorziening.

In die gevallen gelden aanvullende beoordelingsregels. Het bevoegd verleent de omgevingsvergunning als het te infiltreren water:

  • stoffen bevat van bijlage XX, onder A, van het Bkl maar in lagere concentraties dan in bijlage XX, onder A, van het Bkl voor die stoffen is aangegeven; of
  • geen stoffen bevat van bijlage XX, onder A, van het Bkl maar wel stoffen bevat van bijlage XX, onder B, van het Bkl. Maar in zulke kleine hoeveelheden en concentraties dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten.

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning ook verlenen als de stoffen een hogere concentratie hebben dan genoemd in bijlage XX, onder A, van het Bkl. Dan wordt in de omgevingsvergunning aangegeven voor welke periode dat geldt. Hogere concentraties zijn toegestaan als:

  • de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater. Dit is van toepassing als water in de grond wordt geïnfiltreerd waarin die stoffen voorkomen in hogere concentraties.
  • aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater opheffen. Het gaat om het gevaar dat ontstaat door het in de grond infiltreren van water waarin die stoffen in die hogere concentraties voorkomen.
  • Wanneer een wateronttrekkingsactiviteit in de waterschapsverordening vergunningplichtig is gemaakt, staan daar de beoordelingsregels.

Wanneer een wateronttrekkingsactiviteit in de waterschapsverordening vergunningplichtig is gemaakt, staan daar de beoordelingsregels.