Toepassen projectprocedure

Om een project uit te voeren, kan de overheid de projectprocedure gebruiken. Dit kan alleen als het overheidsproject of privaat project een publiek belang dient. Voor sommige projecten bepaalt de Omgevingswet of er sprake is van een publiek belang en is het verplicht de projectprocedure toe te passen.

Private projecten bijzonder geval

Alleen in bijzondere gevallen kan de overheid voor een initiatief van een private initiatiefnemer een projectprocedure starten. Dat kan als dat initiatief ook een nationaal of provinciaal belang of waterschapsbelang heeft. In zo’n geval gaat het bereiken van private doelen en overheidsdoelen in de fysieke leefomgeving samen.

Wie kan het toepassen?

De volgende bestuursorganen kunnen bevoegd gezag zijn in de projectprocedure (artikel 5.44 Omgevingswet):

  • De minister van Infrastructuur en Waterstaat of de minister van Economische Zaken en Klimaat. Soms kunnen andere ministers betrokken zijn. De minister moet dan overeenstemming hebben met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).
  • Het college van Gedeputeerde Staten
  • De gemeenteraad
  • Het dagelijks bestuur van het waterschap

De minister kan de bevoegdheid om een projectbesluit vast te stellen overdragen aan Gedeputeerde Staten. Dit gebeurt in overeenstemming met de minister van BZK. Dat staat in artikel 5.44b Omgevingswet. Daarvoor neemt de minister een delegatiebesluit. Dat besluit wordt bekendgemaakt en toegezonden aan de initiatiefnemer. Dit staat in artikel 5.1 Omgevingsbesluit.

Wanneer?

De bestuursorganen bepalen in principe zelf of ze de projectprocedure toepassen. Maar in de volgende wetsartikelen staat een verplichting om de projectprocedure toe te passen:

  • Omgevingswet, artikel 5.46
  • Elektriciteitswet, artikel 9b, 9c en 20a
  • Gaswet, artikel 39b
  • Mijnbouwwet, artikel 141a

In deze artikelen staat wie de projectprocedure moet toepassen. Dit kan het Rijk, de provincie of het waterschap zijn.

Er bestaan ook uitzonderingen wanneer een projectbesluit juist niet kan worden vastgesteld. Dat staat in de artikelen 9.2 en 9.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Namelijk:

  • Als de kernkwaliteiten van werelderfgoederen en erfgoederen op de voorlopige lijst werelderfgoederen worden aangetast.
  • Als er nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk in Nederland, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming, optreden. Tenzij deze worden gecompenseerd.

Vrijwillig gebruik van een projectbesluit

In sommige gevallen is het vaststellen van een projectbesluit niet verplicht, maar kan het bevoegd gezag ervoor kiezen om van het instrument gebruik te maken.

Redenen hiervoor kunnen zijn:

  • het project past niet binnen het omgevingsplan
  • de wens om regie in eigen hand te houden
  • het gaat om een complex project met veel belangen
  • de wens om een verkenning uit te voeren met trechtering door middel van een voorkeursbeslissing
  • de wens om een voorbereidingsbesluit te nemen
  • de wens om een integraal besluit te nemen
  • de wens om uitvoeringsvergunningen te coördineren
  • indien een projectbesluit vrijwillig wordt toegepast dan is de zienswijzeprocedure van toepassing. Iedereen kan een zienswijze indienen. Er is dan beroep mogelijk in 1 instantie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet binnen 6 maanden uitspraak doen.

Meer over het  vrijwillige projectbesluit is te vinden op de pagina over het Projectbesluit in de praktijk.

Meer informatie