Geur: wat verandert er bij inwerkingtreding van de Omgevingswet?

Deze pagina geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingen rond geur bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

De belangrijkste wijzigingen rond geur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de volgende:

  • Geurvoorschriften staan vooral in het omgevingsplan. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s), het houden van landbouwhuisdieren en diverse agrarische activiteiten geeft het Rijk hiervoor instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor veel andere activiteiten, zoals horeca, stelt het Rijk geen regels. De gemeente bepaalt zelf of en welke regels ze hiervoor opneemt in het omgevingsplan. Wel geldt dat de gemeente moet zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau.
  • De definitie van het te beschermen object verandert. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels welke gebouwen de gemeente in ieder geval als geurgevoelig in het omgevingsplan moet vastleggen. Dit zijn er minder dan nu. Daarnaast kan de gemeente ervoor kiezen om andere gebouwen en locaties te beschermen.
  • Ook een gebouw dat er nog niet is, maar er wel mag komen, is geurgevoelig.
  • De gemeente moet bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vaststellen. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming'.
  • De gemeente kan in een omgevingsplan vastleggen dat normen of afstandseisen niet gelden voor een gebouw dat een voormalige functionele binding heeft met dat bedrijf. Dit kan voor bepaalde agrarische activiteiten, voor een bedrijventerrein of voor de horecasector.
  • Welke aspecten het bevoegd gezag meeweegt bij het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau, is niet meer vastgelegd in rijksregels. Wel geldt er een specifieke zorgplicht  om nadelige gevolgen van een milieubelastende activiteit zoveel mogelijk te beperken. Hieronder valt ook het beperken van geurhinder.