Peilbesluit waterbeheer in de Omgevingswet

In het peilbesluit staat hoe hoog het water mag zijn in een gebied. De waterbeheerders (Rijk en waterschappen) stellen het peilbesluit vast. Het waterschap hoeft het peilbesluit niet op te nemen in een waterschapsverordening.

Wat is een peilbesluit?

De waterbeheerder regelt met sluizen, stuwen en gemalen het niveau van het water. Daarbij houdt hij rekening met de natuur, landbouw, recreatie, het bedrijfsleven en de inwoners. Hoe hoog het water minimaal en maximaal mag komen, staat in een peilbesluit. De waterbeheerder moet er voortdurend voor zorgen dat het waterpeil klopt.

Water waarvoor een peilbesluit geldt

Het peilbesluit kan gelden voor oppervlaktewater en voor grondwater. In de praktijk geldt een peilbesluit vooral voor oppervlaktewater.

Vaststellen van het peilbesluit

Het Rijk stelt het peilbesluit vast voor de rijkswateren. Daarbij kijkt het Rijk wat er in het nationale waterprogramma staat.

Het waterschap stelt het waterpeil vast voor regionale oppervlaktewateren, grondwater of onderdelen van hun watersysteem. Regionale wateren zijn aangewezen in de Omgevingsverordening. Dit staat in artikel 2.41, lid 1 van de Omgevingswet. Het waterschap hoeft een peilbesluit niet op te nemen in een waterschapsverordening. Het kan een apart besluit zijn.

Afstemming met de gemeente

De gemeente moet maatregelen in de waterhuishouding nemen om structurele nadelige gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstand te voorkomen of te beperken. Voorbeelden zijn paalrot of schimmel door natte kruipruimtes.

De waterbeheerder kan ook het grondwaterpeil beïnvloeden. Daarom moet de waterbeheerder het waterpeil afstemmen met de gemeente. Dit volgt uit artikel 2.2 van de Omgevingswet.

Verplichte peilbesluiten

Voor sommige rijkswateren is het peilbesluit verplicht. Dit zijn:

  • Noordzeekanaal, Afgesloten IJ en Amsterdam-Rijnkanaal
  • Grevelingenmeer
  • Veerse Meer
  • Volkerak-Zoommeer, Bathse Spuikanaal en Schelde-Rijnverbinding tussen het Volkerak-Zoommeer en de Kreekraksluizen
  • IJsselmeer, Ketelmeer, Vossemeer, Zwarte Meer, Markermeer, IJmeer, Buiten-IJ, Gooimeer, Eemmeer, Wolderwijd, Nijkerkernauw, Nuldernauw, Veluwemeer en Drontermeer.

Deze informatie is te vinden in artikel 3.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De provincie bepaalt in haar omgevingsverordening voor welke regionale wateren een peilbesluit verplicht is.

Onverplichte peilbesluiten

De waterbeheerder mag een peilbesluit vaststellen om particuliere of openbare belangen veilig te stellen. Voorbeelden zijn water voor natuur, landbouw of drinkwater. De waterbeheerder kan dus soms zelf bepalen of het een peilbesluit vaststelt. Het is dan wel belangrijk dat het peil gehaald en gehandhaafd kan worden. Soms zijn er door natuurlijke omstandigheden grote verschillen in het waterpeil. Dan heeft het niet veel zin om een peil vast te stellen.

Inspanningsverplichting voor waterbeheerder

Peilbesluiten zijn alleen bindend voor de waterbeheerders. Voor de waterstanden in het peilbesluit moet de waterbeheerder zich verplicht inspannen. Hij moet de vastgestelde waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren zoveel mogelijk handhaven.

Participatie bij peilbesluiten

De waterbeheerders betrekken belanghebbenden en inwoners bij een nieuw peilbesluit. De waterbeheerder neemt hun wensen en mening mee in het ontwerp van het peilbesluit.

Handhaven peilbesluit niet altijd mogelijk

Soms is het niet mogelijk om een peilbesluit te handhaven. Dat kan het geval zijn bij waterschaarste. Dit staat in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het kan ook bij gevaar voor waterstaatswerken. Dit volgt uit afdeling 19.4  van de Omgevingswet.

Werkwijze bij watertekort

Als er een watertekort dreigt, kan de waterbeheerder niet meer aan alle behoeften voldoen. Er is dan een voorrangsregeling bij de verdeling van water. Dat is de verdringingsreeks. Mensen en de natuur gaan bijvoorbeeld voor. Dat kan invloed hebben op de waterstanden. Het is dan niet altijd mogelijk om het peilbesluit te handhaven.

Werkwijze bij gevaar

Waterstaatswerken zijn werken die te maken hebben met het beheer van water. Voorbeelden hiervan zijn rivieren, een gebied waar water wordt opgeslagen, dijken of polders. Als een waterstaatswerk in gevaar komt, mag de waterbeheerder maatregelen nemen. Het waterpeil kan dan anders worden dan in het peilbesluit staat. Dit staat in artikel 19.15 van de Omgevingswet.

Procedure van een peilbesluit

Bij de voorbereiding van een peilbesluit geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht. Het gaat om afdeling 3.4. Dat staat in artikel 16.32a van de Omgevingswet. Het betekent dat belanghebbenden een zienswijze kunnen indienen bij het bevoegd gezag. Dat moet dan rekening houden met die zienswijzen. Als het peilbesluit definitief is vastgesteld, kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de rechtbank. Ze kunnen in hoger beroep bij de Raad van State.

Nadeelcompensatie

De Omgevingswet wijst het peilbesluit aan als schadeoorzaak. Dit staat in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit kan leiden tot een aanspraak op nadeelcompensatie. Toekomstige inkomensschade kan met een kapitalisatiemethode worden vastgesteld. Het gaat hier niet om peilverhogingen of -verlagingen die dagelijks veranderen. Die gelden niet als afzonderlijke schadeoorzaak.

Overgangsrecht

Een peilbesluit volgens artikel 5.2 van de Waterwet geldt als een peilbesluit volgens artikel 2.41 van de Omgevingswet.  Dit volgt uit artikel 11.58 van de Invoeringswet Omgevingswet.  De peilbesluiten van voor de Omgevingswet blijven dus ook onder de Omgevingswet bestaan.