Ontgronding land en regionaal water

Voor ontgronding op land, regionale wateren en de winterbedding van rivieren in beheer bij het Rijk gelden regels. U vindt deze regels in hoofdstuk 16 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Definitie ontgronding

Onder ontgronding verstaan we alle werkzaamheden die iets aan of in de hoogteligging van een terrein veranderen. Of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd.

Deze activiteiten vallen niet onder ontgronden op land, regionale wateren en de winterbedding van rivieren:

  • normale land-, tuin- en bosbouwwerkzaamheden
  • normale onderhoudswerken
  • delven, openen en ruimen van graven
  • grondboringen en sonderingen
  • afgraven van grond in een gronddepot

Bevoegd gezag

Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag voor ontgronding op land, in regionale wateren of in het winterbed van rijksrivieren. Bij aanvraag van een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten kan het bevoegd gezag anders zijn. Kijk daarvoor op de pagina: Bepalen bevoegd gezag omgevingsvergunning, onder de blokken 'meervoudige aanvraag'.

Vergunningplicht en decentrale regels

Een ontgrondingsactiviteit is in principe vergunningplichtig. In een aantal gevallen is een omgevingsvergunning niet nodig. Vergunningvrije activiteiten staan in artikel 16.7 en 16.8 van het Bal.

Alleen als het doelmatig en doeltreffend is, kan de provincie in de omgevingsverordening:

  • afwijkende begrenzingen opnemen van de vergunningvrije gevallen uit artikel 16.7 van het Bal
  • vergunningvrije gevallen toevoegen aan de opsomming in artikel 16.7 van het Bal
  • vergunningvrije gevallen uitsluiten van de opsomming in artikel 16.7 van het Bal

Dit is geregeld in artikel 16.9 van het Bal.

Beoordelingsregels vergunning

Als vergunningverlener verleent u de omgevingsvergunning alleen als de activiteit verenigbaar is met de doelen van de wet. In ieder geval betrekt u daarbij de gevolgen voor de watersystemen. De beoordelingsregels staan in artikel 8.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het bevoegd gezag weigert de omgevingsvergunning in ieder geval als:

  • de ontgronding niet veilig en stabiel is tijdens de uitvoering of na afloop
  • het gebied na afloop van het ontgronden niet goed ingericht en beheerd  wordt
  • de inrichting van de locatie niet aansluit bij de functie die daarvoor geldt

Voorschriften in de vergunning

Als vergunningverlener kunt u voorschriften opnemen over:

  • het werkplan, bijvoorbeeld als overleg nodig is of als de vergunningaanvrager het werkplan moet voorleggen aan een bestuursorgaan
  • hoe de vergunningaanvrager aan de voorschriften kan voldoen en welke gegevens deze ter beschikking moet stellen
  • paleontologie (bestudering van fossiele resten)

U mag ook andere voorschriften stellen. Bijvoorbeeld over de helling van het talud om instortingen te voorkomen, of over de veiligheid van omwonenden. U kunt geen voorschriften opnemen waarvoor maatwerk in het Bal is uitgesloten. Dit volgt uit artikel 8.77 en 8.78 van het Bkl.

Gedoogplicht onderzoek

Het bevoegd gezag kan voor onderzoek een gedoogplicht opleggen. Als er onderzoek nodig is voor het verlenen van een omgevingsvergunning moet de eigenaar of rechthebbende dit onderzoek toelaten. Dit staat in artikel 10.16 van de Omgevingswet.

Geen andere algemene regels

In het Bal staan alleen regels over de vergunningplicht. Er is geen specifieke zorgplicht opgenomen. De provincie kan in haar omgevingsverordening eventueel regels opnemen over ontgrondingen.

Dit verandert er bij ontgrondingsvergunningen

De regeling voor planologische medewerking (voor een ontgronding die niet in het bestemmingsplan paste) is vervallen.